Weer die smerige macaroni. Dat is dan voor de duizendste achtereenvolgende keer dat ze die troep klaarmaakt. Non-stop sinds 19 september 2019, ik heb het vanmorgen nog uitgerekend. De macaroni is te dik en doorgekookt, een bord vol bleke maden. De saus is niet meer dan ketchup, rood als bloed. Kan ze godverdomme nou niet eens één keer wat anders klaarmaken voor me?
Ach, laat toch gaan. Het is je moedertje.
Kan me niet schelen. Sinds ik terug ben kookt ze deze afgrijslijke zooi. Ik ben er klaar mee.
Maar ze heeft het goed met je voor.
Nee! Dat heeft ze niet!
Jawel, ze nam je toch weer in huis?
Ze kan me niet uitstaan, ze haat me en dat is wederzijds. Ze is me aan het wegpesten, maar ik pik het niet meer.
Kalmeer nou. Denk aan je voorwaarden.
Nee! Het is afgelopen. Het is niet alleen die smerige troep. Ze stinkt alsof ze al dagen dood is. Als ze dichtbij komt ga ik zowat over mijn nek. En dan al die kutopmerkingen over werk zoeken, alsof er ook maar één werkgever te vinden is die een ex-patiënt wil hebben.
Ik ruik haar voordat ik haar zie.
“Smaakt het jongen?”
Ik sta snel op, pak haar kippennek vast en beuk haar hoofd zo hard als ik kan in het bord. En nog een keer. Ze glijdt langzaam op de grond, bril kapot, en het gezicht besmeurd met resten macaroni.
Haar bloed zie ik ton-sur-ton met de ketchup mengen.
Beter, ik voel me veel beter.
